1. Het sanguïnische temperament: warm en vochtig. Het overheersende lichaamssap is bloed (sanguis). Mensen met dit temperament noemen we warmbloedig en opgewekt.
2. Het cholerische temperament: warm en droog. Het overheersende lichaamssap is gele gal (cholos). Een cholericus is opvliegend, en snel driftig. Dit temperament treffen we vaker bij mannen aan en openbaart zich het duidelijkst in zuidelijke streken en in de zomer.
3. Het flegmatische temperament: koud en vochtig. Het overheersende lichaamssap is slijm (phlegma). Een flegmaticus is rustig, bijna ongevoelig kalm. We treffen dit temperament vaker bij vrouwen aan. Flegmatische types komen we het meest tegen in het noorden en in de winter.
4. Het melancholische temperament: koud en droog. Hier overheerst de zwarte gal (melas cholos). De melancholicus noemen we zwaarmoedig, zwartgallig. Dit temperament openbaart zich het duidelijkst in westelijke streken en in de herfst.
Galenus breidde deze theorie uit: elke factor die van belang was in het genezingsproces (planeten, dierenriemtekens, windrichtingen, seizoenen, uiterlijk,...) werd aan een temperament toegekend. Het overwicht van één van de vochten bepaalde nu niet enkel het temperament, maar ook het uiterlijk en de karaktertrekken. Er werden aan de temperamentenleer bepaalde, wetenschappelijk gefundeerde, consequenties verbonden. Er werd gesteld dat alleen mensen met hetzelfde temperament op elkaar verliefd kunnen worden. Verder blijken de sanguïnische types de meest hartstochtelijke minnaars te zijn. De leer biedt zelfs een verklaring voor het verschil in gedrag van man en vrouw in de liefde! Zo neigen de veelal vurige, cholerische mannen bijvoorbeeld tot het maken van slippertjes, terwijl de vrouwen door hun kalme, flegmatische instelling minder impulsief en veel trouwer in de liefde zijn.
De huidige medische wetenschap hecht geen waarde meer aan de opvatting dat het temperament berust op de verhouding van de vier lichaamssappen. Maar determinologie en indeling wordt in de psychologie, nog steeds gebruikt om de overheersende gemoedstoestand van patiënten aan te geven. Niemand bezit een zuiver temperament. Er zijn vele mengvarianten.